Het verdriet van de bevrijding

Kristallnachtlezing, Breda, 10 november 2019

 

Dames en heren,

 

Bijna twee weken geleden, op 29 oktober werd hier, in Breda, herdacht hoe de stad precies 75 jaar geleden werd bevrijd door de Eerste Poolse Pantserdivisie van Generaal Maczek. Koning Willem Alexander en de Poolse president Andrzej Duda waren bij de herdenking aanwezig. Ze legden een krans en de koning sprak onze bevrijders toe met zeer persoonlijke woorden. Maar de meest iconische woorden kennen jullie, als inwoners van Breda, zelf het beste: “Dziękujemy Wam, Polacy!”

 

Ik was die dag, en de dagen daarna, in Warschau. Op 1 november werd daar, zoals in de meeste katholieke landen en wie weet ook nog hier, in Breda, Allerheiligen gevierd. Het is een vrije dag. Families zoeken elkaar op en bezoeken massaal met elkaar de begraafplaatsen. In een stad als Warschau gaan trams en bussen allemaal één richting op, naar de kerkhoven. Aan het einde van de middag, het wordt vroeg donker in Warschau, bieden de begraafplaatsen een sprookjesachtige aanblik. Duizenden kaarsjes flakkeren op de graven en verlichten de herfstkleuren van de bomen. Maar ook worden er overal in de stad lichtjes aangestoken bij de talloze monumenten die er zijn opgericht om de oorlog te herdenken.

 

Zelf stak ik een kaarsje aan bij het monument voor het concentratiekamp van Warschau, dat vlak naast het getto werd opgericht om de puinhopen na de opstand van het getto op te ruimen. Dat gebeurde door Joodse gevangenen. Een van hen was Dave Minco, de broer van de schrijfster Marga Minco. Zoals vrijwel alle andere Nederlandse Joden was hij via Westerbork naar Polen gedeporteerd. Door mijn kaarsje aan te steken herdacht ik, heel klein en privé, niet alleen Dave Minco, maar alle 102.000 Joden, Sinti en Roma die vanuit Westerbork werden gedeporteerd en in de vernietigingskampen werden vermoord.

 

 

In totaal werden er 107.000 Joden, Sinti en Roma vanuit Westerbork weggevoerd. Vijfduizend van hen keerden terug. Twee van hen waren Fred en Carry Schwarz. Enkele weken geleden schonken hun kinderen twee bijzondere ringen aan Herinneringscentrum Kamp Westerbork. De ringen werden in het kamp gemaakt door Fred Schwarz voor zijn “meisje” Carry, die hij in Kamp Westerbork had ontmoet.  Na verschrikkelijke oorlogsjaren – Fred overleefde vier kampen - trouwden ze. Ze kregen twee kinderen en elf klein- en achterkleinkinderen. Die kleinkinderen en achterkleinkinderen stonden die oktobermiddag, nu precies vier weken geleden, op het podium van het Herinneringscentrum om de laatste bladzijde van Freds oorlogsmemoires voor te lezen, Treinen op dood spoor.

 

Het verhaal van Fred en Carry is relatief “goed” afgelopen. Na de oorlog hervonden ze elkaar. Toch kun je je afvragen of ze werkelijk waren “bevrijd”. Bijna hun hele familie werd in de kampen vermoord. Hoeveel jaren van hun leven werden ze nog door demonen achtervolgd? En heeft Fred die demonen van zich af kunnen schudden toen hij bijna vijftig jaar na de oorlog zijn zijn indrukwekkende memoires schreef?

 

Een paar stappen verwijderd van dat podium met de achterkleinkinderen van Fred en Carry Schwarz, in de vaste presentatie van het Herinneringscentrum, staat een vitrine met een spiegeltje. Dat spiegeltje is niet veel groter dan een uitgerekte rijksdaalder, een munt die in de oorlog nog bestond. Je kon het prima verbergen: onder je oksel, onder je tong, en in nog veel meer geheime schuilplaatsen van je lichaam. Dat is wat Jules Schelvis deed. Jules Schelvis was een van de meer dan 34.000 Joden die in 1943 vanuit Kamp Westerbork naar Sobibor werden gedeporteerd, hij was een van de drie mannen die uit Sobibor terugkeerde. In een documentaire die je nog steeds op YouTube kunt bekijken, vertelt hij geëmotioneerd over dat spiegeltje, dat aan de achterkant bedrukt was met een fotootje van zijn vrouw Rachel. Schelvis wist het spiegeltje de hele oorlog bij zich te houden, het reisde met hem mee, na Westerbork nog zeven kampen lang: Sobibor, Dorohucza, Radom, Tomaszów, Auschwitz, Vaihingen, en Unterriechsingen. Het spiegeltje kreeg een magische betekenis. “Ik zorgde ervoor”, zegt hij in de documentaire, “dat dat spiegeltje altijd bij me zou blijven.”

 

 

 

Jules Schelvis overleefde de kampen en keerde terug naar Nederland, net als zijn moeder en zusje. Maar het grootste deel van zijn familie, ook zijn vrouw Rachèl, werd in de oorlog vermoord. Jules Schelvis werd bevrijd in kamp Vaihingen. Hij was ernstig ziek, tyfus, en kwam in het ziekenhuis terecht. “Door de tyfus of omdat ik zo overweldigd was door de omstandigheden had ik geen erg meer in dat spiegeltje”, zou hij jaren na zijn bevrijding vertellen. Toen hij na een paar dagen weer bij zijn positieven kwam, bleek het spiegeltje verdwenen.

 

We lopen door naar een andere ruimte in het Herinneringscentrum, waar de kindertentoonstelling De groeten van Leo te zien is. Hier staat het verhaal van Leo Meijer centraal. Leo is zeven jaar als hij met zijn ouders in Kamp Westerbork belandt. Hier tekende hij over het dagelijks leven in het kamp. En over de herinneringen aan zijn leven in Zwijndrecht, waar hij woonde, zoals een tekening met een circus en olifanten. Leo overleefde de oorlog niet. Op 9-jarige leeftijd werd hij in Auschwitz vermoord.

 

“Bevrijding” heeft bij ons, in Herinneringscentrum Kamp Westerbork, altijd een bittere bijsmaak. Ja, natuurlijk was er vreugde toen de Canadezen het kamp kwamen bevrijden. Maar er was geen feestelijke bevrijdingsroes, er waren geen bevrijdingsrokken, wittebrood en sigaretten. Want de vreugde werd al snel overschaduwd door een groot verdriet. Kampoverlevenden wachtte een kille ontvangst in Nederland. Hun woonhuizen werden door anderen bewoond, bedrijven en bezittingen werden niet zomaar teruggegeven. En het allerergste: de berichten van het Rode Kruis die langzaam binnendruppelden en het meest angstige vermoeden bevestigden. Vader, moeder, dochter, zoon, broer, zus, opa, oma, tante, oom: allemaal vermoord.

 

Voor veel overlevenden was dat bevrijdingsjaar 1945 misschien wel het zwartste jaar uit hun bestaan. Jules Schelvis schrijft in zijn memoires, Binnen de poorten, heel indrukwekkend over zijn terugkeer naar Amsterdam [en ik citeer vrij uitgebreid]:

 

 

 

“Niemand uit dat straatje, dat voornamelijk Joodse bewoners telde, was teruggekeerd. Het was er, zoals altijd donker, maar nu ook nog zo stil. De hoge stemmen van de vrouwen die in het rappe Jiddish vanuit de ramen met elkaar praatten en de liedjes van de kinderen, die het straatje een geheel eigen karakter gaven, waren verstomd.

Ik liep snel verder om mijn emoties de baas te blijven. Op de hoek komt de Nieuwe Kerkstraat uit, de straat die van zoveel betekenis in mijn leven is geweest. Toen ik voor nummer 103 stil stond keek ik door een waas van tranen omhoog. Er was zo te zien niets aan het huis veranderd sedert we het hadden moeten verlaten. De beide grote ramen van de ouderslaapkamer en het kleine raam van het kamertje waar Chel en ik geslapen en elkaar hadden liefgehad, zagen er nog even verveloos uit. Ook de straatdeur stond zoals altijd open, omdat het slot nog steeds niet gemaakt was. […]

Als alles nu eens een nare droom geweest was, zouden Hella, Ab, Chel en Herman, Gretha en David, wanneer ik nu zou aanbellen, naar beneden komen om mij te omhelzen, zoals dat gebeurt na een lange afwezigheid van een dierbare. Ik zou getracteerd worden op zelfgemaakte, altijd in voorraad zijnde küchelig met kawe en iedereen zou uitgelaten geweest zijn. […] Maar dit was de meest boze droom van de afgelopen twee jaar. Terug naar de realiteit van dit moment liep ik huilend verder. Alles was werkelijk gebeurd en niemand was er om mij te troosten. Allen die ik lief had waren er niet meer. Vermoord.

Ook de Nieuwe Kerkstraat was leeg geworden. Het was geen Joodse straat meer. Weg waren de Goldsteins, de Lewensohns, de Landaus, de Przerowski’s, de Herzbergs en de Edelsteins. De ziel was er met een afschuwelijk mes uitgesneden.”

 

Zelf ben ik niet Joods, en bovendien bijna twintig jaar na de bevrijding geboren. Ik kan me er geen voorstelling van maken hoe het geweest moet zijn voor Fred en Carry Schwarz, voor Jules Schelvis, om terug te komen en het leven weer op te moeten pakken. Of het leven weer op te mógen pakken. Ik kan me van hun bevrijding geen voorstelling maken. Voelden zij zich inderdaad bevrijd? Konden zij verder gaan na hun bevrijding? Hoe gingen ze de demonen in hun hoofden te lijf? Of wisten ze die te verdringen? Konden ze zich, vele jaren na de oorlog, van hun herinneringen bevrijden door ze op te schrijven? Waren er in de kampen momenten waarop ze zich “vrij” konden voelen? Ook dat is een vraag die vaak in me op komt.

 

In de kampen, zegt Jules Schelvis in de documentaire die je nog steeds op YouTube kunt bekijken, was er geen plaats voor liefde, voor verliefdheid. Wat Fred en Carry Schwarz overkwam, was uitzonderlijk, maar Westerbork was dan ook niet te vergelijken met de vernietigingskampen in het Oosten. Daar was, zegt Schelvis, geen plaats voor verliefdheid, en niet alleen omdat er in de mannenkampen geen vrouwen waren. Iedere minuut van je bestaan moest je alert zijn: een minuut van onoplettendheid kon je je leven kosten.

 

Maar gek genoeg was er wel ruimte voor muziek! “Muziek was het belangrijkste”, zegt Schelvis. “Het hield ons op de been”. Samen met zijn vriend Leo de Vries, aan wie hij zijn mémoires opdroeg, zong of floot hij hele muziekstukken. Ze gaven elkaar een soort quiz-vragen op. “Fluit het tweede deel van de symfonie van Beethoven”. Of: “Neurie het eerste deel van het vierde pianoconcert.” Ze zongen cantates van Bach en de Matthäuspassion, ze kenden de koren en bijna alle aria’s. “De muziek moesten we in onze hersens hebben”, zei Schelvis. Zoals de Chaconne uit de Partita voor viool van Johannes Sebastian Bach, die door een kampgevangene in Radom werd gespeeld. Hoe die viool in het kamp terecht gekomen was en er was gebleven, wist niemand. “De Chaconne werd”, zou Schelvis vele jaren later memoreren, “en zal daardoor voor mij, altijd het zinnebeeld blijven van een macht die verder en hoger rijkt dan de macht die mensen denken over elkaar te kunnen en mogen uitoefenen. Ik was dankbaar dat ik hier in Radom, op dit moment in mijn leven en onder deze omstandigheden, dit mocht meemaken.”

 

Ik weet het: “bevrijding” kun je dit niet noemen, dit voor één moment opgetild worden uit je eigen bestaan. Maar: droeg de muziek van Bach bij aan je geestelijke welbevinden? Deed de muziek je ervaren dat je een echt mens was, een mens met gevoel, met een ziel, met een wil? Dat je daarom door wilde leven? Ik kan er geen antwoord op geven. Maar wel ben ik iedere keer weer onder de indruk van verhalen van kampgevangenen die zich door muziek, kunst, literatuur, op wisten te tillen uit de verschrikkingen en zich er misschien heel even van wisten te bevrijden.

 

 

 

Even terug naar Polen. Want graag wil ik hier ook het voorbeeld noemen van de Poolse gravin en kunsthistorica Karolina Lanckorońska, gevangene nummer 16076 in concentratiekamp Ravensbrück. Voorafgaand aan haar deportatie naar Ravensbrück had ze vastgezeten in de beruchte strafgevangenis van Stanislau in het Generaal-gouvernement. Tijdens haar eenzame opsluiting daar – vijf dagen en nachten in een cel zonder daglicht, denkt ze in beelden:

 

Elke dag verplaatste ik mezelf in mijn verbeelding naar een van de grote musea in Europa waar ik de schilderijen bekeek. Ik begon natuurlijk bij het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waar ik was “opgegroeid”. Daarna ging ik naar het Prado, het Louvre, de Uffizi en Venetië. Dat was soms een ongelofelijk intense ervaring. De kleuren van de Venetiaanse schilderkunst waren nooit zó helder als in de duisternis van mijn cel.

 

En veel later zou ze in haar mémoires over Ravensbrück schrijven:

 

In dit hopeloze sterfhuis restte ons één bron van kracht, die voortdurend aan intensiteit toenam. De behoefte om te vluchten in een intellectuele wereld groeide voortdurend. Hoe dichter de rook was die uit het crematorium kwam, hoe dichter, hoe directer de dood ons in de ogen keek, hoe meer onze behoefte aan geestelijke waarde groeide.

 

Wat betekende die “geestelijke waarde” in de kampen?

 

De Oostenrijkse neuroloog en psychiater Viktor E. Frankl zou er kort na de oorlog op een indrukwekkende manier over schrijven. De Joodse Frankl werd in september 1942 met zijn vrouw en zijn ouders naar Theresienstadt gedeporteerd en later naar Auschwitz. Vanuit zijn professie bleef hij in de kampen zijn medemensen op een onwaarschijnlijk heldere manier observeren en onmiddellijk na zijn vrijlating schreef hij De zin van het bestaan, een inleiding in de logotherapie. In dit boek beschrijft hij het leven van een gewone gevangene in het concentratiekamp vanuit zijn eigen perspectief: het perspectief van een psychiater.

Hij nam de degradatie en de wreedheid om zich heen waar, en kwam tot een opmerkelijk inzicht: gevangenen die betekenis wisten te geven aan hun leven, leken een grotere overlevingskans te hebben. Gevoelige mensen, met een rijk intellectueel leven, konden zich terugtrekken uit de afschuwelijke realiteit naar een leven van innerlijke rijkdom en spirituele vrijheid. Alleen zo, meende hij, zou je de schijnbare paradox kunnen verklaren dat sommige gevangenen – sommige - met een minder sterk gestel wel konden overleven, en fysiek sterke mensen niet. In zijn boek deelt hij een aantal persoonlijke ervaringen met ons, momenten waarop hijzelf geestelijk wordt gesterkt of zelfs “gered” door bijvoorbeeld dichtregels.

 

Ook schrijft Frankl op indrukwekkende wijze over het maken van keuzes. Je kùnt, als je wilt, en al kost het een bijna bovenmenselijke inspanning, een keuze maken voor spirituele vrijheid, onafhankelijkheid van geest, zelfs in verschrikkelijke omstandigheden van fysieke en psychische stress. Iedere dag kon je een beslissing nemen die bepaalde of je je wel of niet onderwierp aan de machten die dreigden je van je innerlijke zelf te beroven, je innerlijke vrijheid, je persoonlijke waardigheid. Je hebt altijd een keuze.

 

Iedere keer als ik naar de documentaire over Jules Schelvis kijk, moet ik aan Viktor Frankl denken. Schelvis zit op de bank, met het spiegeltje tussen zijn vingers geklemd. Het lijkt me toe dat dat spiegeltje de hele theorie van Frankl in zich heeft opgezogen: de spirituele vrijheid van Jules Schelvis, zijn onafhankelijkheid van geest, zijn persoonlijke waardigheid. Ja, hij raakte het spiegeltje kwijt in de dagen na zijn bevrijding, maar een leven zonder dat spiegeltje was voor hem ondenkbaar. En dus liet hij een replica maken. Het is die replica die hij aan ons schonk en die we nu koesteren in een vitrine van het Herinneringscentrum.

 

Ben ik hiermee nu afgedwaald van ons thema, Stilstaan bij en verder gaan met bevrijden? Ja, en nee. Het antwoord op de vraag of Fred Schwarz en Jules Schelvis zichzelf hebben kunnen bevrijden, kan ik niet geven. Ik heb noch Fred Schwarz, noch Jules Schelvis persoonlijk gekend en heb dit filosofische gesprek nooit met ze kunnen voeren. Hebben ze zichzelf bevrijd door hun mémoires op te schrijven, hun levensverhalen met ons te delen? Ik weet het niet. Hebben ze tijdens hun gevangenschap een grote geestelijke vrijheid gevoeld, die onafhankelijkheid van geest waar Viktor Frankl over schrijft?

Ik weet het niet, maar ik denk het wel. Anders had je je persoonlijke geschiedenis nooit zo op kunnen schrijven. Die ringen, dat spiegeltje, die tekening van een olifant: ze belichamen een heel persoonlijk soort vrijheid: de vrijheid van keuze, de keuze voor persoonlijke waardigheid.

 

Volgend jaar, 2020, vieren en herdenken we het jaar van de vrijheid. Hoe staan wij, in Westerbork, stil bij de bevrijding die voor velen geen bevrijding was? Door de dierbare bezittingen te tonen van hen die in Westerbork gevangen zaten: het spiegeltje van Jules Schelvis, de tekeningen van Leo Meijer, de ringen van Fred en Carry Schwarz. En door iedere keer opnieuw de verhalen te vertellen van hen die wel, of juist niet bevrijd werden.

 

Dankuwel.